Theosofie - Noordwest

 

Theosofie, de oude wijsheid-religie

                                                                                                                  

Mededogen is geen eigenschap, Het is de WET der WETTEN, eeuwige harmonie, ālaya’s ZELF,

 een oeverloze universele essentie. H.P.Blavatsky in Stem van de Stilte blz. 67

 

Gautema de Boeddha ontving de Prajñapāramitā’s van de Mahātma’s.  

Gewoonlijk wordt aangenomen dat de Prajñapāramitā, de naam van een van de mystieke hoofdwerken van de mahāyāna-school van het boeddhisme, in de 2de eeuw v.Chr. zou zijn geschreven. H.P. Blavatsky schreef hier het volgende over: Zoals in elke andere deels Esoterische versluierde leringen hebben de woorden van de Boeddha een dubbele betekenis, iedere sekte is geleidelijk gaan opeisen de enige te zijn de juiste betekenis kennen en dus daarmee een suprematie en exclusiviteit over de rest te hebben.

Schisma slopen erin en werden als een afschuwelijke kanker in hoog tempo verspreid in het reine lichaam van het vroege Boeddhisme. Nāgārjuna ’s Mahayānā (“Het Grote voertuig") School werd tegengewerkt door het Hīnayānā (of "Kleine Voertuig") stelsel, en zelfs de Yogacharyā school van Aryāsanga werd ontsierd door de jaarlijkse bedevaart naar de oevers van Mansarovara door een horde Vagebonden en Zwervers vanuit India die voor Yogi’s en Fakir speelde.

De wereld door afschuw getroffen met een vervelende en nutteloze praktijk als het tellen van het in en uitademen als een middel om de absolute rust van de geest of meditatie te produceren, hebben deze school binnen het bereik van Hātha-Yoga gebracht en tot erfgenaam gemaakt tot van de Brahmaanse Trthīkas.

Hoewel ze ook de namen als Srotāpatti*, Sakridāgāmin, Anāgāmin en Arhats, dragen zoals in bijna elke school, verschillen de leerstellingen onderling sterk van elkaar en zal geen van deze het echte Abhijñas (de vijf bovennatuurlijke abnormale vermogens) kunnen bereiken. Een van de belangrijkste fouten van de oriëntalisten was de beoordeling over het "innerlijke (?) bewijs ', zoals ze dat uitdrukte, ervan uitgaande dat de Pratyekaboeddha, de Bodhisattva's, en de" Perfecte "Boeddha's een latere ontwikkeling van het Boeddhisme waren.

Deze drie belangrijke fasen vormen de basis voor de zeven en twaalf graden van de hiërarchie van het Adept schap. De eerste zijn degenen die de Bodhi (wijsheid) van de Boeddha hebben bereikt, maar geen Leraren worden. De menselijke Bodhisattva's zijn kandidaten om zo te zeggen, voor een perfecte Boeddha schap (in de volgende Kalpa)  met de mogelijkheid om hun verkregen vermogens indien nodig nu te gebruiken, “Perfecte" Boeddha's zijn gewoon "perfecte" ingewijden.

Dit zijn allemaal mensen en geen ontlichaamde wezens zoals in de exoterische Hīnayānā boeken beschreven. Hun ware aard en karakter kan alleen worden gevonden in de geheime delen van de Lugrub, de Tibetaanse benaming van Nāgārjuna, de stichter van het Mahayānā - stelsel, waarvan wordt gezegd te zijn ingewijd door de Nāga's (fabelachtige 'slangen', een versluierde naam voor een ingewijde of Mahatma).

In een gevonden legendarische Chinees verslag wordt vermeld dat Nāgārjuna zijn leer als een tegenstelling beschouwde tot die van Gautama de Boeddha, totdat hij van de Nāga’s leerde dat zijn leer in overeenstemming was met wat in het geheim door Sākyamuni zelf werd onderwezen, dit is een allegorie en gebaseerd over de verzoening tussen de oude Brahmaanse geheime scholen in de Himālaya en esoterische leer van Gautama, beide scholen hebben in eerste instantie bezwaar gemaakt tegen de rivaliserende school van de ander. De eerstgenoemde, de Moederschool van alle anderen was gevestigd buiten de Himalaya vele eeuwen vóór de verschijning van Sākyamuni.

Gautama was een leerling van hen; en het was van hen, de Indiase Sages, dat hij de waarheden van het Sunyāta, de leegte en de vergankelijkheid van alle aardse vergankelijke dingen en het mysterie van Prajńāpāramitā, of "de kennis de rivier over te steken," en aan te komen in het ENE perfecte land de regio's van de Ene Werkelijkheid had geleerd.

Maar zijn Arhats waren niet gelijk aan hem. Sommigen van hen waren ambitieus, en ze bewerkte bepaalde leerstellingen na de grote concilies, en het is op grond van deze "ketters" dat de Moeder-School in eerste instantie weigerde om hen in staat stellen hun scholen te mengen toen de vervolging begon om de Esoterische Broederschap uit India te verdrijven. Maar toen ze uiteindelijk zich schikte onder de leiding en de controle van de Hoofd Asramas, werd de Yogacharyā van Aryāsanga samengevoegd met deze Oudste Loge.

Want het is daar dat het sinds onheuglijke tijden verborgen en verzwegen gelegen gebied, de laatste hoop, het licht van de wereld en de redding van de mensheid. Talrijk zijn de namen van die school en het land, de naam van de laatste wordt nu beschouwd door de oriëntalisten als de mythische naam van een fantastisch land. Het is niettemin vanuit dit mysterieuze land dat de hindoe zijn Kalki-avatāra verwacht, de boeddhist zijn Maitreya, de Pārsī zijn Saoshyant, de Jood zijn Messias, en de Christen zijn Christus als hij de werkelijke betekent ervan kent.

Daar, en daar alleen, regeert Paranishpanna (Yong-GRUB)** het absoluut perfecte begrip van Zijn en Niet-zijn, het onveranderlijke ware bestaan in de Geest, zelfs terwijl de laatste schijnbaar nog steeds in een lichaam verkeerd, De "Absolute Waarheid" (Don-dampa'i-den pa; Sanskriet: paramārthasatya), die de "relatieve waarheid" (Kun zab chi-den pa; Sanskriet: Samvritisatya) heeft overwonnen, hebben de bewoners van deze mysterieuze regio dus de staat hebben bereikt met de naam in mystieke spraakgebruik Svasamvedanā (“zelfanalyse reflectie") en Parāmartha, of het absolute bewustzijn van het persoonlijke samengevoegd in de onpersoonlijke ego, die boven alles, dus ook boven illusie is in elk opzicht.

De namen van “Perfecte" Boeddha's en Bodhisattva mag dan op elke punt van een Boeddhistische tong als hemelse-daardoor onbereikbaar Wezens lijken, terwijl hun namen iets suggereren en toch niets zeggend zijn aan de bekrompen perceptie van het Europese profane. Wat van belang is, ze zijn in deze wereld, en leven toch ver buiten onze ongrijpbaar aarde! Boven hen is er maar één klasse van Nirvānīs, namelijk de Choku (dharmakāya), of de Nirvānīs "zonder overblijfselen" - het pure Arūpa, de vormloze adem.

H.P. Blavatsky. Collected Writings XIV 434 - 436. © 1980 The Theosophical Publishing House. Wheaton. Ili. USA.

 * .Zie voor de namen Srotāpatti*, Sakridāgāmin, Anāgāmin en Arhats “De Stem van de Stilte” blz. 89, noot 6.

** In de Theosofische literatuur als Shambhala beschreven.

 

Terug menu.   Terug sectiebegin.

                             

 

* * * * * * *

Universele broederschap is de kern van de Theosofische lering.  I  Dhanus 4243