Theosofie - Noordwest

 

Theosofie, de oude wijsheid-religie

                                                                                                           

Mededogen is geen eigenschap, Het is de WET der WETTEN, eeuwige harmonie, ālaya’s ZELF,

 een oeverloze universele essentie. H.P.Blavatsky in Stem van de Stilte blz. 67

 

Māyā (Illusie)

 

Iswar” is het gevolg van Avidya en Māyā, onwetendheid gebaseerd op de grote begoocheling” 

 

De Mahatma Brieven. Blz. 59 © 1979 Theosophical University Press Agency. Den Haag

 

 

Maya of illusie is een element dat bij alle eindige dingen optreedt, want alles wat bestaat heeft alleen maar een relatieve en geen absolute werkelijkheid, omdat de vorm waarin het verborgen noumenon voor een waarnemer verschijnt, afhangt van zijn waarnemingsvermogen. Voor het ongeoefende oog van een barbaar is een schilderij eerst een zinloze wirwar van gekleurde strepen en klodders, terwijl een geoefend oog er onmiddellijk een gezicht of een landschap in ziet. Niets is blijvend, behalve het ene verborgen absolute bestaan dat in zichzelf de noumena van alle werkelijkheden bevat.

 

De bestaansvormen die tot ieder gebied van het zijn behoren, tot de hoogste Dhyan-Chohan toe, hebben tot op zekere hoogte iets van schaduwen, die door een toverlantaarn op een kleurloos scherm worden geworpen; toch zijn alle dingen betrekkelijk reëel, want ook de waarnemer is een weerspiegeling, en de waargenomen dingen zijn daarom voor hem even werkelijk als hijzelf. De werkelijkheid die de dingen misschien bezitten, moet men erin zoeken vóór of nadat zij als een flits door de stoffelijke wereld zijn heengegaan; maar wij kunnen zo’n bestaan niet rechtstreeks waarnemen zolang wij waarnemingsinstrumenten hebben die slechts het stoffelijke bestaan binnen het bereik van ons bewustzijn brengen.

 

Op welk gebied ons bewustzijn ook werkzaam is, zowel wij als de dingen die tot dat gebied behoren, zijn voor dat moment onze enige werkelijkheden. Naarmate wij een hogere trap van ontwikkeling bereiken, bemerken wij dat we tijdens de stadia die we hebben doorlopen schaduwen voor werkelijkheden hebben aangezien. Het omhoogklimmen van het ego is een reeks steeds verdergaande bewustwordingen, waarbij iedere vordering de gedachte meebrengt dat we nu eindelijk de ‘werkelijkheid’ hebben bereikt. Wij zullen echter pas vrij zijn van de door maya voortgebrachte waanvoorstellingen, wanneer wij het absolute Bewustzijn hebben bereikt en het onze daarin hebben laten opgaan.

 

H.P.Blavatsky. De Geheime Leer 1 : 69 -70 ©  1988. TUPA Den Haag.

 

 

De term māyā – die eeuwen geleden in de brahmaanse filosofie een  heel andere betekenis had dan de nu gangbare – heeft de betekenis gekregen van door het menselijke verstand gevormde denkbeelden die aan innerlijke en uiterlijke indrukken zijn ontleend; vandaar het illusoire

aspect van de gedachten van de mens als hij het leven en zijn omgeving overdenkt en probeert te verklaren en te begrijpen – en daarvan werd de betekenis afgeleid die de term technisch heeft, namelijk illusie. Het betekent niet dat de uiterlijke wereld niet bestaat; als dat zo was, kon ze

natuurlijk niet illusoir zijn; ze bestaat, maar is niet. Ze wordt ‘uitgemeten’ of ze vertoont zich aan de menselijke geest als een zinsbegoocheling.

 

Met andere woorden, het beeld en de beelden die ons verstand en onze zintuigen aan het innerlijke leven en het innerlijke oog doorgeven, zien we niet helder, niet duidelijk en niet waarheidsgetrouw.

Bekende voorbeelden van māyā in de Vedānta, die de hoogste vorm is van de brahmaanse leringen en die in vele opzichten onze eigen leer benadert, waren de volgende: iemand ziet ’s avonds een opgerold stuk touw op de grond liggen en springt opzij omdat hij denkt dat het een slang is. Er is wel een touw, maar geen slang.

 

Een ander voorbeeld is wat de ‘horens van de haas’ wordt genoemd. Wanneer men ’s avonds een haas ziet zitten, schijnen zijn lange oren zó uit zijn kop te steken dat het zelfs voor het geoefende oog lijkt op een dier met horens. De haas heeft geen horens, maar er ontstaat in de geest

het bedrieglijke idee dat daar een dier met horens is. Dat is de betekenis van māyā: niet dat iets wat we zien niet bestaat, maar dat wij door onze eigen gedachten en onvolkomenheden worden

verblind en ons denken op een dwaalspoor wordt gebracht, en dat we nog niet tot de juiste verklaring en betekenis van de wereld, van het heelal om ons heen, zijn gekomen. Door innerlijk op te klimmen, door op te stijgen, door innerlijke aspiratie en het verheffen van de ziel, kunnen

we opwaarts of liever binnenwaarts reiken naar dat gebied waar de waarheid in haar volheid woont.

 

G de Purucker. De Beginselen van de Esoterische filosofie blz. 33  ©  1997. TUPA Den Haag.

 

 

Terug menu.   Terug sectiebegin.