Theosofie - Noordwest

 

Theosofie, de oude wijsheid-religie

                                                                                                                  

Mededogen is geen eigenschap, Het is de WET der WETTEN, eeuwige harmonie, ālaya’s ZELF,

 een oeverloze universele essentie. H.P.Blavatsky in Stem van de Stilte blz. 67

 

De term pāramitā

 

In De Stem van de Stilte vat H.P. Blavatsky de weg van mededogen als volgt samen:

Leven voor het welzijn van de mensheid is de eerste stap. De zes verheven deugden in praktijk brengen is de tweede. – blz. 31

 

De zes verheven deugden zijn de pāramitā's. Van de neofiet wordt verlangd dat hij deze zich eigen maakt terwijl hij het pad betreedt dat naar de hoogste inwijdingservaring leidt. HPB maakt gebruik van de mahāyāna boeddhistische terminologie wanneer ze in haar Stem deze ‘transcendentale deugden’ of ‘volmaaktheden’ presenteert als de ‘gouden sleutels’ die de poorten van het

meesterschap doen opengaan. In de boeddhistische teksten van zowel de Noordelijke als de Zuidelijke School wisselt het aantal, de volgorde, en soms ook de opgenomen selectie van deze ‘deugden’. De woorden die voor de ene of de andere ‘deugd’ zijn gekozen, hun aantal, of hun volgorde zijn van ondergeschikt belang; waar het om gaat is trouw aan de poging om de beperkingen van het alledaagse zelf te overstijgen.

Grace. F.Knoche in Duizend lichten aansteken , blz. 154.   ©2002 Theosophical University Press Agency. Den Haag

 

* * * * * * *

Dit is een samengesteld Sanskrietwoord en bestaat uit pāram, wat ‘de andere oever’ betekent in de technische zin van dit woord en volgens de mooie boeddhistische manier van spreken betekent dat de andere oever, of over de rivier van het leven heen, in plaats van deze oever, die het stoffelijke bestaan vertegenwoordigt, waar leed en pijn en zoveel andere dingen bestaan. ‘De andere oever’ betekent dus het bereiken van volmaakte verlichting omdat het bewustzijn vanuit alle illusies van de stoffelijke wereld is overgestoken naar de andere oever van geestelijke glorie, vrede, vrijheid, wijsheid en liefde.

Het andere deel van het samengestelde woord pāramitās, dat is afgeleid van een voltooid deelwoord van een Sanskriet werkwoord dat ‘gaan’ betekent; het kan dus worden vertaald met ‘gegaan’: gaan, gegaan; ita is dit Sanskriet voltooid deelwoord, dat ‘gegaan’ betekent. Vervolgens wordt dit voltooid deelwoord omgezet in een zelfstandig naamwoord en dan wordt het itā; en als zelfstandig naamwoord betekent het dus met andere woorden het ‘succesvol gaan’, of ‘succesvol bereiken’.  De hele samenstelling betekent dus ‘het met succes bereiken van de andere oever’. 

 

Merk ook op – en dit maakt de zaak voor u iets duidelijker – dat pāramitā betekent ‘iemand die met succes de andere oever heeft bereikt’, terwijl, zoals boven gezegd, pāramitā het samengestelde zelfstandig naamwoord is dat dit beschrijft en dus moet worden vertaald met ‘het met succes bereiken van de andere oever’.  

 

G. de Purucker in Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 685  ©1999 Theosophical University Press Agency. Den Haag

 

* * * * * * * 

Pāramitā en pāragata (of het equivalent pāragāmin) zijn samengestelde Sanskrietwoorden die betekenen ‘iemand die de andere oever heeft bereikt’; pāramitā (de vrouwelijke vorm) wordt gebruikt voor de verheven deugden of eigenschappen die men moet aankweken om die oever te bereiken. Er is hier een nuanceverschil in betekenis waarop we moeten letten: pāramitā houdt de gedachte in dat men is ‘overgestoken’ en dus is ‘aangekomen’, terwijl pāragata (of pāragāmin) het ‘vertrek’ van deze kant inhoudt en dus ‘heengegaan’ betekent om behouden de andere oever te bereiken. 

 

Een ander veelgebruikt woord in boeddhistische geschriften, waarin het subtiele onderscheid tussen bovengenoemde termen eveneens tot uitdrukking komt, is Tathāgata, een titel die aan Gautama Boeddha wordt gegeven. Dit is een samengesteld Sanskrietwoord dat op twee manieren kan worden gesplitst: tathā-āgata, ‘aldus heengegaan’, dat wil zeggen, vertrokken naar en aangekomen op de andere oever; en tathā-āgata, ‘aldus aangekomen of gekomen’, zodat de betekenis van de term Tathāgata is: iemand die zowel is ‘vertrokken’ naar, als ‘aangekomen’ op de andere oever, zoals ook zijn voorganger-boeddha’s hebben gedaan. 

 

G de Purucker in de Bron van het Occultisme, blz. 49 voetnoot  ©2006 Theosophical University Press Agency. Den Haag 

 

 

Terug menu.   Terug sectiebegin.

 

 

 

* * * * * * *

Universele broederschap is de kern van de Theosofische lering.  I  Dhanus 4243